Schapen

Tegenwoordig houden we schapen niet voor de wol, maar vooral voor vlees of melk. Op onze stadsboerderijen hebben we Drentse en Veluwse heideschapen, Texelaars en Zwartbles schapen. In totaal lopen er zo’n 50 schapen in de wei.

Voorplanting
Van oktober tot en met november is de dekperiode. Dan zijn de ooien (vrouwtjesschapen) bronstig. Om te zien of een ooi succesvol gedekt is, krijgt de ram een dektuigje om met onder zijn borst een dekblok, zie foto hieronder. Het dekblok bevat kleurstof. Zo wordt zichtbaar of een ooi de ram heeft toegelaten: ze heeft dan een gekleurd achterwerk. Ooien zonder kleur zijn nog niet gedekt. Na een paar weken wisselen we het dekblok van kleur. Als een ooi twee kleuren op haar achterste heeft, betekent dat dat de eerste dekking niet tot een drachtige ooi heeft geleid, want zodra een ooi zwanger is, weigert ze om een ram nog toe te laten namelijk. Schapen hebben een ovulatie die daglichtlengtegebonden is. De ovulatie begint zodra de het op een dag minder dan 14 uur licht is, ongeveer half oktober.

Korenmaat-schaap_FAM5587

Jonge dieren
In maart worden op onze boerderijen de meeste lammetjes geboren. De schapen staan in de tijd dat ze lammeren in een afgesloten ruimte. Wij zijn dit wettelijk verplicht vanwege de kans op verspreiding van Q-koorts. Onze dieren zijn hier allemaal ingeënt tegen. Zodra de lammetjes tien dagen oud zijn gaan ze met hun moeder de wei in en kan iedereen genieten van het gevoel van lente dat ze meebrengen.

Voeding
Onze schapen eten gras en hooi (gedroogd gras). Gras en hooi zijn moeilijk te verteren. Daarom herkauwt een schaap zijn eten: nadat het eten een tijdje in zijn maag is geweest, komt het in kleine beetjes terug in zijn bek. Het schaap herkauwt het voer en slikt het dan opnieuw door.

Huisvesting
Schapen zijn sterke dieren, die in alle seizoenen goed buiten kunnen zijn. De weilanden zorgen voor voldoende gras om te kunnen grazen. Het is fijn als schapen voldoende beschutting kunnen zoeken tegen regen en zonneschijn. Een boom of heg kan hiervoor zorgen. De schapen worden geregeld omgeweid. Dit is om worminfecties tegen te gaan en om het gras weer aan te laten groeien. Op de boerderij zijn er mogelijkheden om de schapen naar binnen te halen als dat nodig is, bijvoorbeeld tijdens het aflammerseizoen.

Schapenweetjes
 

  • Niet alleen rammen hebben hoorns. Van sommige rassen hebben de ooien ook hoorns. Aan de hoorns kun je dus niet zien of het schaap een mannetje of vrouwtje is.
  • Een schaap heeft aan elke poot twee tenen met hoeven er aan. Net als bij onze nagels, groeien hoeven steeds door. Bij het lopen over hard oppervlak slijten de hoeven vanzelf af maar bij schapen die in de wei lopen gebeurt dit te weinig. Daarom worden de hoeven van schapen regelmatig bekapt. Er wordt dan een stukje van de hoef afgehaald, zodat ze goed kunnen blijven lopen.
  • Wisselweiden. Op onze boerderijen lopen de paarden, koeien en schapen om de beurt in dezelfde weilanden. Dit kan, omdat ze het gras op een andere lengte afbijten. Koeien hebben het langste gras nodig. Zij slaan hun tong om het gras om het af te breken en op te eten. Daarna komen de schapen. Zij kunnen het door de koeien korter gemaakte gras met hun tanden afbijten. De paarden komen als laatste. Zij eten de kortste sprietjes op, omdat een te ‘vette’ wei koliek of hoefbevangenheid kan veroorzaken bij paarden. Daarna heeft het gras tijd nodig om weer tot rust te komen en aan te groeien. Dat is een van de redenen waarom je een weiland soms leeg ziet staan.

Stadsboerderij De Korenmaat is onderdeel van Natuurcentrum Arnhem